Visie

Voor kinderen met autisme zijn veiligheid en duidelijkheid twee belangrijke kernbegrippen. Wij bouwen samen met de ouders van de kinderen in eerste instantie aan deze twee begrippen. Dit doen wij door in gesprek met ouders en externe partijen te gaan over wat voor het kind belangrijk is. Belangrijk is dat onderzocht wordt hoe het gevoel van veiligheid bereikt kan worden. Hierbij wordt gekeken naar wat er nodig is voor het kind en voor hun ouders. Daarin werken wij in kleine stapjes aan het zelfvertrouwen van onze kinderen.

Gedrag

Veel kinderen die bij ons aangemeld worden laten moeilijk verstaanbaar gedrag zien. Onze visie heeft als invalshoek dat al het moeilijk verstaanbaar gedrag verschillende oorzaken kan hebben. Kinderen kunnen vaak zelf goed verwoorden waar het mis gaat. Door te luisteren naar het kind zelf en de ouders kijken wij waar het gedrag vandaan komt.

Daarnaast is bij onze kinderen te zien dat prikkelverwerking een grote rol speelt.  Wij zien een dunne lijn tussen onderprikkeling en overprikkeling. Moeilijk verstaanbaar gedrag kan vanuit beide ontstaan. Om die reden is het belangrijk om patronen in het gedrag te ontdekken. De oorzaak van gebeurtenissen achterhalen is daarbij een belangrijk punt.

Een voorbeeld:
Een kind laat bij rekenen steeds weerstand zien. Het kind wordt boos, weigert het werk te maken, het kind gaat schelden, met stoelen gooien en maakt het werk stuk. Het lijkt erop dat het kind niet wil rekenen. Na een gesprek met het kind op een rustig moment blijkt dat het kind het lastig vindt dat plus en min rekensommen door elkaar staan. Zijn hoofd moet steeds schakelen en dat lukt niet. Hierop besluiten wij nieuwe stof gescheiden aan te bieden. Op één blad staan plussommen, op het andere blad minsommen. Wij leggen uit dat schakelen een belangrijke vaardigheid is. Daarom wordt één geel blad aangeboden. Op dit blad staan rekenopdrachten door elkaar. Echter zijn dit opdrachten waarvan wij weten dat het kind deze beheerst. Hiermee gaat het kind akkoord. Het is voor het kind nu duidelijk waarom iets geoefend wordt. Wij hebben naar het kind geluisterd, daarmee leert het kind dat praten een goede communicatievorm is.

Frustratie

Het uiten van frustratie is iets dat veel voor voorkomt bij kinderen met autisme. De wereld is vanuit het oogpunt van deze kinderen niet duidelijk. Het kind doet zijn best, het kind probeert te ontdekken wat de wereld om hem heen inhoudt, maar slaagt daar niet altijd in.
Onze ervaring leert dat er in het verleden niet altijd goed geluisterd is naar het kind zelf. Hierdoor raken kinderen bij sommige onderwerpen direct in frustratie.

Wij proberen altijd eerst te luisteren naar wat het kind ons wil vertellen. Een kind kan zijn frustratie verbaal, fysiek, non-verbaal en in fantasievorm uiten. Wij noemen dit ontladen.

Als een kind ontlaad gaat dit vaak over een situatie die in het verleden heeft plaatsgevonden. Het kind uit de opgekropte gevoelens van dat moment. Het is belangrijk dat hier op een goede manier mee omgegaan wordt, zodat het kind ervaart dat het uiten van gevoelens oplucht in plaats van het opkroppen.
Wij proberen altijd bij het kind te blijven zolang dit veilig is voor de begeleider en het kind. Het enige wat een kind nodig heeft is aandacht, nabijheid en een luisterend oor. Oplossingen zijn op dat moment niet nodig. Op een later moment, wanneer het kind weer tot rust gekomen is, zal het gesprek met het kind opgezocht worden wanneer dit mogelijk is.

Ontladen kan op verschillende manieren, alle manieren zijn goed en zullen elkaar afwisselen. Dit kan bijvoorbeeld door lachen, huilen, trillen, zweten en gapen.

Executieve functies

Veel kinderen met autisme in combinatie met een normaal tot hoog IQ, laten een verschil zien tussen het leervermogen en de executieve functies.

Executieve functies zijn vaardigheden om een strategie te kunnen kiezen, toe te passen en vast te houden zodat een probleem kan worden opgelost of een doel kan worden bereikt.
Er zijn verschillende theorieën over de hoeveelheid verschillende executieve functies. Wij houden de 11 executieve functies aan die beschreven zijn in het boek ‘Slim maar’ geschreven door Dawson & Guare (2010).

Een voorbeeld:
Een kind heeft moeite om zijn lichaam aan te sturen tijdens het schrijven. De hersenen moeten namelijk schakelen tussen hoe het kind moet schrijven en wat het kind moet schrijven. De combinatie van deze twee dingen samen is lastig. Het moment dat de hersenen ‘bezet’ zijn met het schrijven, kan het kind niet meer nadenken over het antwoord. Hierdoor kan het lijken alsof het kind de stof niet begrijpt. Het kind begrijpt de stof wel, maar kan deze kennis niet tegelijk toepassen tijdens het schrijven.

Dit is een essentiële reden die maakt dat wij extra nadruk leggen op het onderzoeken van deze processen. Wij onderzoeken hoe een kind het beste leert. Is dit mondeling, door te schrijven of door te lezen? Er wordt gekeken naar wat het doel is van het werk.
Is het de bedoeling dat het kind leert schrijven, dan moet het kind de antwoorden tijdens een werkmoment zelf schrijven.
Is het belangrijk dat het kind leert spellen? Dan kan het kind het woord zelf schrijven, of bijvoorbeeld opnoemen waarbij de begeleider/leerkracht het woord schrijft.

Obsessie

Bij kinderen met autisme en/of MCDD, is er een vergroot risico dat er sprake zal zijn van obsessies. Dit kan gericht zijn op materialen, personen of dieren. Wij vinden een obsessie op zich geen belemmering. Vaak helpt het een kind zich veilig te voelen en is er een mogelijkheid dat dit gebruikt kan worden in de motivatie om tot ontwikkeling te komen. Zo wordt er bijvoorbeeld schoolwerk gemaakt dat aansluit bij de obsessie, bijvoorbeeld rekenen met slakken.

Een obsessie kan leiden tot beperkingen of problemen als:

  • De obsessie gericht is op een persoon;
  • De obsessie afzondering met zich meebrengt;
  • De obsessie negatieve gedragsverandering.

Fantasiewereld

Kinderen met autisme en/of MCDD hebben soms een fantasiewereld die niet passend is bij hun kalenderleeftijd. Deze wereld is doorgaans de veilige haven van het kind.

Onze visie is dan ook om in spelmomenten het kind tegemoet te treden in zijn wereld. Daarin volgen wij het kind in zijn fantasiewereld, de plek waar het kind de controle heeft. Vanwege de vele prikkels, eisen en verwachtingen, kan de buitenwereld onveilig zijn en frustrerend. Dit maakt dat het kind controle zoekt. De ervaring leert dat, door het geven van controle in spel, het kind leert dat ze de behoefte om controle te willen hebben ook los kunnen laten.

Een voorbeeld:
Bedenk je dat je aan een tak hangt boven een afgrond. Als iemand dan duidelijk tegen je roept dat je los moet laten en misschien zelfs nog aan je voeten trekt, zal jij alleen maar strakker vasthouden. Je wilt immers niet vallen.
Op het moment dat iemand jou een stevige bodem laat voelen en je vol vertrouwen helpt om vaste grond onder je voeten te voelen zal je loslaten. Bij kinderen werkt het niet anders, vandaar deze visie. Geef kinderen waar mogelijk de controle en ga mee in hun bijzondere fantasiewereld.

Prikkelverwerking

Bij veel van onze kinderen speelt de prikkelverwerking een grote rol. Zij zijn bijvoorbeeld (over)gevoelig voor licht, geluid, geuren, smaken, aanrakingen en interne prikkels.

Wanneer kinderen moeilijk verstaanbaar gedrag vertonen kijken wij altijd of er problemen kunnen zijn met de prikkelverwerking. Als blijkt dat er problemen zijn met de prikkelverwerking passen wij de begeleiding daarop aan.

Ouder-kind relatie

Regelmatig komt er in overleggen naar voren dat er sprake is van een verstoorde ouder-kind relatie. Onze ervaring is dat als ouders zien dat hun kind het niet redt in de wereld waar hij zich bevindt, zij vechten voor hun kind. Het zou dan kunnen lijken op overbezorgde ouders of ouders die hun kind verwennen. Echter is de wens van de ouders dat het kind zich veilig voelt en de ouders zullen daar alles aan doen. Het is aan ons om weer naar het kind en zijn ouders te luisteren. Om samen te denken, samen te beslissen, waardoor een ouder ziet dat zijn kind weer kan ontwikkelen. Dit geeft de ouders hopelijk langzaam weer de mogelijkheid om een gevoel van loslaten te ervaren. Voorzichtigheid en tijd zijn hierin kernwoorden.

Cliëntverwachtingen

Omdat wij vinden dat ouders hun kind het beste kennen, verwachten wij grote betrokkenheid binnen het proces dat een kind doorloopt. Wij wensen een korte lijn met ouders om op deze manier de begeleiding zo goed mogelijk te laten aansluiten bij een kind en een zo groot mogelijk resultaat te behalen.

Er zijn ieder kwartaal zorgoverleggen met de ouders waarin het afgelopen kwartaal besproken wordt en er nieuwe leerdoelen worden opgesteld. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met het toekomstperspectief van het kind.
Wanneer er zich een situatie voordoet tijdens de begeleidingsmomenten waar bijvoorbeeld een FOBO voor ingevuld wordt, is er ook altijd contact met ouders. Bij terugkerende FOBO oorzaken wordt er een overleg gepland waarin de orthopedagoog samen met de begeleiders en ouders hypotheses worden opgesteld.
Een FOBO is ons formulier ongevallen en bijna ongevallen. Dit formulier wordt ingevuld wanneer er bijvoorbeeld een kind fysieke agressie laat zien, wanneer een kind zich bezeerd heeft of andere incidenten die hebben plaatsgevonden.